Categorie archief: Anekdotes

Korte verhalen uit het leven gegrepen. Meer kan ik er niet van maken. Ik probeer het wel.

#107

Vannacht eerst anderhalf uur geluisterd naar geklop en gebonk en gesleutel bij de benedenburen. Het was even stil en toen leek het geluid te zijn verhuisd… NAAR MIJN VOORDEUR.

Ik sloeg op de deur en vroeg wie daar was. Joessoef! Oh fijn, die ken ik niet. Maar hij is van #107. Huisnummer 107? Chinese maaltijd 107? Celnummer 107? ‘Wat moet je?’ geroepen terwijl ik snel de telefoon erbij pakte. Hij wil komen wonen. Ja, koekoek, jij en duizend andere Joessoefs. Redelijk kalm heb ik gezegd dat ie weg moest gaan en heb ik de pliesie gebeld. Hij stond nog wat bij de deur te roepen en wachten en ondertussen stond ik bij het balkon te kijken waar mijn redders in nood bleven. Die deden er 5 minuten over, wat een half uur leek. Een half uur waarin ik langzaam maar zeker in paniek begon te raken, en ik zo goed mogelijk mijn best deed te doen wat damzels in distress in Hollywoodfilms doen: beetje snikken, beetje bibberen, en cinematografisch verantwoord half achter een gordijn staan met de telefoon in een houdgreep.

Ondertussen was het geklop bij de benedenburen weer begonnen. Ik hoorde de bel daar gaan maar er deed niemand open. Toen belde een enige echte politieman me op (privénummer dus ik heb er verder niks aan, ef waai aai) en ik legde hem nog een keer de hachelijke situatie uit. Zijn antwoord: ‘Oké, dan weten we al genoeg.’ Uhm, kan ik weer veilig gaan slapen? De politieman bevestigde dat. Ik zag zijn auto nog een laatste, voorzichtig rondje langs mijn flat rijden (wisten jullie dat het zwaailicht ook fungeert als kekke schijnwerper?) en weg was ie.

Minuten later hoorde ik weer geklop, gebonk en uiteindelijk een ferme klap van de voordeur onder me. Gevolgd door het regelmatig terugkerend relaas van de fokking benedenbuurman die fokking kwaad was op zijn fokking net thuisgekomen vriendin want hij heeft fokking anderhalf uur aan alle fokking deuren gezeten bam bam bam fokking kwaad ben ik, fokking bijna gearresteerd.

Maar verder is alles goed met me hoor.

Album A

Onlangs kwam ik mijn eerste zelfgemaakte fotoalbum tegen, toen ik op zoek was naar dikke boeken om een barricade mee te bouwen. Deze improv-muur was namelijk nodig om Miep binnen de perken te houden. Miep is mijn hamster en eens in de zoveel tijd mag ze in de gang rondrennen, zolang ze zich maar aan mijn paperback en hardcover grenzen houdt.

Enfin, mijn eerste eigen fotoalbum had ik ineens in mijn handen.

Lees verder Album A

Meneer met de Poes

Omdat hij het verdient, volgt hier een speciaal stukje over de Meneer met de Poes. Iedere avond, op weg terug naar huis van m’n werk, rijd ik langs een klein parkje. Het is amper een parkje te noemen, ’t is meer een grasveld waar een tweetal betonnen bankjes is neergezet, een extra padje is gelegd en verder omgeven is door een hele hoop struiken. En tussen die struiken loopt dagelijks rond de klok van 6 een meneer met zijn Poes.

De Meneer ziet er wat gezet, beetje grauwig en onverzorgd uit en hij lijkt zo eenzaam. Ik concludeer dat want als er een Mevrouw met de Poes zou zijn, zou ze vast ook een keer het beest uit hebben gelaten. Of zou ze tegen haar man hebben gezegd “Schat, je laat de poes al publiekelijk uit, zorg er op z’n minst voor dat je er zelf niet als een wandelende haarbal bij loopt.”

Dus, daarom denk ik dat een Mevrouw met de Poes niet bestaat. De Meneer komt thuis (van een werk dat het dragen van een papieren mutsje vereist), zet een pannetje hachee op en laat het pruttelen terwijl hij zijn jas aantrekt en Poes roept.

Vandaag liep hij er weer, de Meneer. Hij zat roerloos op een van de betonnen bankjes en keek sip naar zijn voeten. Waar dacht hij aan? De Poes lag naast hem. De Meneer schuifde een klein beetje op en ging per ongeluk op het puntje van de staart van Poes zitten. De Poes deerde het niet.  Weer thuis gekomen is de hachee klaar en krijg Poes er ook een hapje van.

Negen-elf

Wat gaat de tijd toch snel he? Voor je het weet is er tien jaar voorbij.
Ieder jaar, overal ter wereld gebeuren erge dingen. Aanslagen, natuurrampen, de cast van oh oh Cherso. Je schrikt, je wordt kwaad, je zoekt troost, je gaat weer verder. Zo ook een decennium geleden, alhoewel deze impact nog bij mij met vlagen nasiddert. Niet alleen omdat de directe en indirecte gevolgen ervan op wereldniveau nog steeds op het nieuws te zien zijn. Maar ook omdat tijdens sommige vakanties de afgelopen jaren die ene datum me rechtstreeks met de neus op de feiten drukte. Een kort overzichtje in beeld en wat fragmentjes uit m’n reisdagboek. Let niet op m’n taalgebruik, ik noem het graag “Cee-slang”.

11 september 2009

“Nou, wat ‘n spektakel dat baseball. Je hebt Casio Henk met z’n pianoriedels bij aankondigingen, de Medic of the Month verkiezing, de Bloeddonor van de week, de Leader of the Pack en weet ik veel. Ook natuurlijk aandacht voor 9/11. En toen begon de wedstrijd!”

 

 

 

11 september 2004

“Zo, tot nu toe ’n heftig dagje… We zijn ’s ochtends met de taxi naar Battery Park gereden en daar hebben we een ticket gekocht voor een ‘passing through’ boottocht langs ’t Vrijheidsbeeld en Ellis Island. De skyline ziet er nu totaal anders uit, dat is logisch natuurlijk, maar om ’t eindelijk in ’t echt te zien maakt het pas echt bizar. Na de boottocht zijn we door Battery Park gelopen en de Sphere opgezocht en vervolgens doorgelopen naar Ground Zero, en je wéét dat het indrukwekkend is, maar dat het zó aangrijpend zou zijn had ik nooit gedacht. Toen we die ochtend ons hotel verlieten, waren ze op Ground Zero net bezig met het opnoemen van de namen, toen we met de taxi naar Battery Park reden zagen we ze de namen opnoemen, en toen we zo’n 3,5 uur later bij Ground Zero aankwamen, waren ze bij de letter T.”

27 juli 2001

“Voorbij de androgene statue en naar Ellis island. Ellis island was cool, veel Hollandse glorie en yanks die uitcheckten waar ze ook alweer vandaar komen. We hebben d’r ’n uur of 2 rondgelopen, vervolgens ‘n half uur bij de verkeerde ferryboot staan wachten. Maar uiteindelijk toch weer op Manhattan uitgekomen. We zijn naar WTC gewandeld, en – oh my God – de Disney-spirit is er teruggekomen (of geïntroduceerd)! De rij was wel langer dan 2 jaar geleden, maar we hebben wel ’n tijd op ’t dak zitten chillen.”

Shocking

Natuurlijk doen er bij een nieuwswaardige gebeurtenis al snel de grootste indianenverhalen de ronde. Daarom heb ik besloten hier een ooggetuige-verslag neer te zetten. Van de eerste hand, dus 100% waar, van seconde tot seconde. Dus beide secondes.

Opdat we nooit vergeten.

8 september 2011.

Ik weet het nog goed, als de dag van gisteren. Het was namelijk de dag van gisteren.

21:00.30 uur.
Ik zit relaxed op de bank Expeditie Robinson te kijken. Een halfvol (ik ben in een positieve bui) glas latte macchiato links naast me op het bijzettafeltje, mijn gloednieuwe glimmende smartphone rechts op de bank. Buiten is het al donker.

21:01.01 uur.
Expeditie Robinson. Sylvia ligt lekker in de zon, Sipke Jan staat met een sok in z’n speedo te douchen in een grot, er lopen krabbetjes over het strand en ik neem nog een slokje latte.

SECONDE 1, 21:02.02 uur
Ineens voel ik het. Vanuit het niets. De flat. Hij staat niet stil. Ik voel een verschuiving, een trilling, alsof een grote vrachtwagen voorbij komt gereden. Maar ik zit 5 hoog in een flat en er rijden dagelijks honderden vrachtwagens voorbij. Dit moest een tank zijn. Maar ik zit niet in een oorlogsgebied. Oké, dan ben ik gewoon duizelig geworden, woahhhh en we gaan naar rechts, zeker 2 milimeter maar het voelt als de langste 2 milimeters van m’n leven. Ik zit even rechtop maar de duizeligheid zet zich na die ene seconde door.

SECONDE 2, 21:02.03 uur
Een tweede seconde. Waar een rechts is, is een links dus we gaan naar links. Ik hoor de monitor PC op het bureau in de ruimte naast me een beetje wiebelend kraken op z’n voetje. Er kraakt nog iets. Aangezien dat zeker mijn hersenen niet waren, concludeer ik op dat moment dat ik niet duizelig ben maar dat de bouwconstructie van het flatgebouw waarin ik woon eens grondig onderzocht moet worden. Na die tweede seconde zit ik nog steeds rechtop en weet ik dat ik actie moet ondernemen.

Ik kan hier namelijk lang blijven zitten en Expeditie Robinson afkijken en wachten tot de hele boel instort of ik kan een vluchtplan bedenken. Ik doe het laatste. Mijn vluchtplan bestond uit het volgende:

  1. wachten tot de boel instort
  2. schoenen aantrekken
  3. naar buiten vluchten voordat de boel instort.

Ik besef dat planning, logistiek, logica en coördinatie niet mijn sterkste kant is en besluit dan op z’n minst mijn ervaring aan de buitenwereld kenbaar te maken en dat te beschouwen als mijn nalatenschap. Dus ik pak mijn shiny Galaxy Ace en zet op twitter het volgende bericht:

21:05.03
“Mn flat schudde net heen en weer. Geen grap. Hmm.”

21:09.57
Na een paar minuten bekijk ik mijn twitter timeline weer en zie ik de aardbeving-tweets als een malle voorbijrazen.

Dus toch!

Jippie, de flat blijft staan, en zo niet dan gaan we met z’n allen!

Dankbaar en gelukkig wegens het besef dat ik hier zojuist door het oog van de naald ben gekropen en iets heb meegemaakt dat geen enkel ander persoon met gehaakte sloffen aan, zittend op 5 hoog met een latte macchiato kijkend naar hongerende BN’ers, dit na kan vertellen besloot ik daarom nog in het holst van de avond een blog hierover te schrijven.

Graag gedaan.

Die Dingen.

Stap 1 is toegeven dat je een probleem hebt. Nu vind ik mijn probleem niet echt een probleem probleem, meer een nare bijkomstigheid die niemand (inclusief mijzelf) echt begrijpt. Maar toch, ik wil het even zwart op wit, digitaal, online toegeven. Komt ie dan.

Ik lijd aan een (mijns inziens) ernstige vorm van Koumpounophobia. Gelukkig bestaat er een engelstalig wetenschappelijk (lees: deftig) woord voor want dat betekent dat ik:

  1. niet de enige ben (want blijkbaar zijn er mensen voor me geweest die de wens hadden om hun bizarre hersenaandoening te benamen).
  2. de fobie niet in Jip en Janneke-taal hoef te benoemen, waardoor ik dat nare moment vermijd waarop ik het woord van het gefobeerde voorwerp moet typen en ik misselijk word.

Ja, het is best ernstig. Ik wil Die Dingen (zoals ik ze vanaf nu noem) niet zien, niet dragen, niet aanraken, de naam ervan niet uitspreken of typen.

En daarom heeft deze blog-entry ook geen plaatje, want het meest logische zou zijn om een foto van Die Dingen te plaatsen. Tenzij je ook graag een plaatje van een door mij volgevomeerde emmer ziet.

Ik weet niet wanneer het begon en waarom, naar mijn weten heb ik altijd al die aversie gehad. Mijn vroegste herinnering was een trui die mijn moeder voor me kocht toen ik een jaar of 7 was. De trui an sich was op z’n zachtst gezegd al afzichtelijk. En dat zegt veel, want het waren de jaren ’80 en we weten allemaal dat toen haast alles getolereerd werd op het gebied van mode. Het ergst van alles waren de 3 Dingen op de trui. Ik ben naar mijn kamer gegaan en heb stilletjes gehuild.

Was het de lelijkheid van de trui die de latente fobie heeft getriggerd en in volle glorie zich de komende 27 jaar (en ik vrees minstens net zo veel jaren daarna) liet manifesteren? Ik heb geen verklaring hiervoor. Ik vind Die Dingen vies, naar, om te zien. Als ik er per ongeluk een aanraak, is het voor mijn gevoel het zelfde als wanneer ik eens lekker ga snorkelen in het Amsterdamse riool.

Om over het dragen ervan maar niet te spreken. Ik mijd die situaties daarom ook. Het maakt het leven wel wat lastiger wanneer ik op zoek ga naar nieuwe kleding. Voor mij is de grootste vereiste van het kledingstuk de sluiting. Zie ik een ontzettend leuke rok, vest of broek maar heeft het van Die Dingen? Jammer dan. Het is echter al een aantal keer voorgekomen dat ik echt graag die rok of broek wilde kopen. In veel gevallen zit zo’n Ding dan ook compleet nutteloos als extra sluitpost aan de binnenkant van het kledingstuk (de BINNENKANT! Dan zit het OP JE HUID! Waarom? In godsnaam. Gad-ver-damme.) en dan koop ik het en laat ik het een paar dagen in een tas liggen. Totdat ik de moed heb verzameld om de rok/broek tevoorschijn te halen en, met ingehouden adem, zo snel mogelijk het stuk addergebroed weg te knippen of snijden. Hup, de prullenbak in. En dan zo snel mogelijk de vuilniszak de deur uit. De rok of broek is klaar om gedragen te worden.

Een troost voor mezelf is dat ik mijn fobie beperkt tot kleine, plastic glimmende Dingen met gaatjes. Dus metalen Dingen -zoals bij spijkerbroeken en sommige jassen- zijn oké, daar kan ik goed mee leven. Behalve als ze te los hangen. Wederom, een verklaring? Die heb ik niet.

En vrienden/familie/bekenden dan? Het zou wat zijn, als ik van mijn bezoek eis dat ze zich hullen in een lappendeken die door riemen op de plaats wordt gehouden. Zo erg is het nog net niet met mij gesteld. Maar als ze hun vest of jas op een dergelijke positie neerleggen dat Die Dingen me als tientallen priemende ogen aankijken, probeer ik terloops stiekum het stuk te verleggen zodat er niets meer van te zien is.

Vorig jaar kocht ik een hele leuke winterjas. De bontkraag (nep! Nep!) maakte ‘m nog leuker, maar helaas. Er zaten vierhonderdmiljoen minuuscule klote-Dingen aan. Ik heb ze een voor een los gemaakt zonder gek te worden. Een triomf. Vervolgens de bontkraag zo gevouwen dat Die Dingen niet zichtbaar zijn en in de gangkast gedaan, bij de handschoenen, paraplu’s en sjaals. Iedere keer dat ik die kast open doe (gezien de aard van de zomer dit jaar gebeurt dit vaker dan ik wil), word ik een klein beetje misselijk.

Er zullen vast legio behandelingen voor dit soort rariteiten zijn. Maar, stel je voor, je bent bang voor spinnen en je wil ervan af. Sta je te springen bij de gedachte dat je daarvoor eerst in een bak tarantula’s moet slapen? Dus ik hou het nog maar even zo. Eigenlijk vind ik het wel grappig, nog steeds. Het is redelijk uniek, raar, vervelend maar ook uitdagend tegelijk. En vooral: onverklaarbaar. Geen touw aan vast te knopen.

Oh shit.

Empty-V

MTV is vandaag 30 geworden. The big Three-O. Een mijlpaal in je leven waarop je gaat denken over de toekomst (want wat je vroeger ‘later als ik groot ben’ vond, is ‘nu’ geworden). Waarop je ofwel gaat settelen ofwel beslist dat je nog helemaal niet weet wat je wil, zolang het maar geen settelen is. Maar, de tijd dringt wel. In ieder geval geeft zo’n mijlpaal de bewustwording dat de definitieve volwassenheid is ingegaan, of je nu wilt of niet.

En MTV wil niet en gaat vrolijk verder met het Benjamin Button-effect. Je weet wel, die film waarin een man als oude vent wordt geboren en langzaam maar zeker opgroeit naar jong volwassene, puber, kind, baby, dood. En daarbij wel alle facetten van het leven meemaakt en alle wijsheden meekrijgt. Wat MTV uit de afgelopen 3 decennia blijkbaar heeft geleerd is dat

a) De doelgroep liever kijkt naar clips die ze bij voorbaat al leuk vinden, op Youtube.

b) De doelgroep liever kijkt naar rijke mensen of, beter nog, acteurs die rijke mensen spelen en daar rijk van worden en daar weer een serie over maken en doen alsof ze nog rijker zijn en daar nog rijker van worden en vicieuze cirkel etc. etc.

c) De knop naar VH1 snel gevonden is.

Begonnen als nestor van de muziek, nu het infantiele broertje waarvan de luier constant vol zit met derrie.

Tien tegen een dat op MTV nu een met zestien pannekoeken geplamuurde troela haar relatieproblemen aan het bespreken is met een vriendin, aan de telefoon, in een restaurant, terwijl een camera haar ‘zogenaamd’ bespiedt.

*Zapt*

Ah, Jersey Shore. Er werd geschud met de kont.

Jammer, heel jammer. Ik heb leuke herinneringen aan MTV.

MTV Europe, welteverstaan, die legendarische jaren ’90. Wie kent de VJ’s niet? Tenzij je van de Pokémon-generatie bent. Dan vergeef ik het je.

Zo was er Eden, een mevrouw uit Israel die ik onuitstaanbaar vond omdat ze steeds in haar handen klapte tijdens het praten en zichzelf te cool vond. De Spaanse Hugo, die ik ook niet echt leuk vond want ik verstond hem niet (“Er ees uh cleep vummadonnafro zen. Endjo.”) Toby Amies, een beetje het sexy enfant terrible van MTV, hij deed de alternatieve hoek en had een blitse kuif. Vanessa met de ijzers in haar gezicht en het Haar, die deed de Headbanger’s Ball, wat ik meed als de pest want ik dacht dat de duvel uit m’n tv zou springen. Marijne, de Nederlandse, de dochter van Sinterklaas. En Pip, Simone, Cat (die nu zeer verdienstelijk de geweldige US versie van So You Think You Can Dance presenteert) en Ray. Freakin’. Cokes. Die laatstgenoemde was (en is) de MTV-held. Te oud en te kaal en te onknap om op zo’n mooiemensenzender dagelijks met zijn tronie te zien zijn maar ik keek avond aan avond naar Most Wanted. Show, humor, muziek en algemene lolbroekerij. Briljant.

Een van mijn favoriete Most Wanted uitzendingen was deze. Op 0.30 een gevleugelde uitspraak.

Ik ben in de jaren ’90 regelmatig in Londen geweest. En buiten de standaard toeristische aangelegenheden gingen we steevast naar Camden, naar de MTV studios. Gewoon, om te kijken, te kwijlen, om er even bij te zijn. Het hol van de leeuw. Af en toe zagen we wel wat VJ’s of bands voorbij lopen. Maar hoe zou het daar binnen zijn?

Begin 1995 besloot ik een aanmeldbrief te schrijven om aanwezig te zijn bij MTV’s Most Wanted. Wie niet waagt, etc. We zouden in juli naar Londen gaan, dat wisten we al, dat vermeldde ik er voor de zekerheid in. Een paar maanden later: Ik was haast al vergeten dat ik me had ingeschreven maar een brief van MTV viel op de deurmat. Of ik het bijgaande formulier in wilde vullen. Oh ja, en of ik 27 juli zin had om aanwezig te zijn in het publiek. De vragen op het formulier varieerden van standaard (naam, adres, geboortedatum) tot vreemd (vertel over je rare gewoontes). Ik vulde ze vrolijk in, stuurde ze op en binnen no-time ontving ik een bevestiging. Ik en vriendin (M.) mochten deel uitmaken van Club Bed (dit was de naam van het publiek, dat in een soort van bed zat)!

Wachten, wachten, wachten, en toen gingen we eind juli eindelijk naar Londen. Van tevoren was ons bekend geworden dat de band die tijdens ‘onze’ show dienst zou doen, een groep genaamd Bush was. Nooit van gehoord. Dus voordat we naar de studio gingen, liepen we nog even een HMV binnen om een cd’tje van Bush te bekijken. In het cd’tje zat een boekje en daarop stond een foto van Gavin Rossdale.

Goedgekeurd. Zeer goedgekeurd.

Op naar Camden! We meldden ons bij de receptie en vanaf het moment dat we het MTV gebouw binnen liepen, voelden we ons ieder minuut hipper, cooler en belangrijker. Toby liep er los rond. Tobyyyy! En overal hingen tv’s met daarop de uitzending van dat moment. Ondertussen kwamen meer Club Bed-gangers naar binnen. Omdat het zomer/vakantietijd was en het MTV Europe betrof, was het een leuk, gemêleerd gezelschap uit alle hoeken van het continent.

De opnameleidster kwam en vertelde dat, vanwege het grote aantal, onze groep in tweeën zou worden gesplitst. M. en ik zaten in groep 1, die mocht de eerste helft van de show meemaken. We zouden de band zien optreden en tijdens de reclame moesten we plaats maken voor groep 2. Ach ja, het zij zo.

Na een tijdje wat zenuwachtig gedraaikont op de sofa’s van de lobby, werden we naar de studio geleid waar Most Wanted werd opgenomen. Even dacht ik per ongeluk de wc’s in te zijn gelopen maar dit kleine hokje was toch echt die enorme studio die het op tv deed lijken.

En daar lag ons bed. Een matras met wat dekens met diverse prints, kussens. Vreemd, doch comfortabel. We werden gerangschikt. Goddank waren dit de jaren ’90 en was het gros van het publiek wars van styling, wat er waarschijnlijk toe heeft geleid dat plain Janes zoals M. en ik op de voorste rij werden geplant.

En daar was ie, de Held. Mr. Ray Cokes. Vroeg of we er zin in hadden (ja!) en of we enthousiast wilden doen (jaaaa!) en of we vaak keken (jaaaaahaaaaa!). Ik keek wat rond en merkte dat de mensen die op de vloer aan het werk waren, ook allemaal bekenden van de show waren. Dus die gast die de kabels aan het sleuren is, was Robbie the Cable Guy. En de mevrouw met het clipboard was Naughty Nympho Nina. En er was nog een andere Rob, met lang, warrig haar en een hoog stemmetje. En Jean-Claude van Hamster. Ja, dat was een hamster. Die herkende ik makkelijk.

De show begon. Joelen, klappen, joelen, klappen! En aandachtig luisteren naar wat Ray te vertellen had want ieder moment kon hij iets aan je vragen. Goddank deed hij dat niet aan mij maar het meisje dat naast me zat was een regelmatig terugkerend item in de uitzending. Ze had een gedichtje en een grappige foto op een A4’tje bij zich, speciaal voor Ray. Op een bepaald moment las Cokes het gedicht voor. Ik zat semi-gebiologeerd te kijken en te luisteren en ik zag op het scherm bovenin de studio in close-up mijn semi-gebiologeerde snuit in beeld. Gelukkig was de camera op tijd weg om mijn schrikreactie niet heel Europa in te sturen.

Eerste reclameblok. Daar kwam de band. Daar was Bush. Nee, wacht, daar was de hond van Bush. Een kruising tussen een zwabber en een rastafari. Hij heette Winston en kwam vrolijk kwispelend op ons af. We aaiden hem. Gavin Rossdale (en de rest van de band) volgde en de foto op het cd-boekje loog niet. Wat een vent. Hij wees naar het kleed met tijgerprint dat over ons heen was gedrapeerd.

“Lovely duvet! I’ve got one of these at home!”

Zucht, zwijmel.

Nina kwam naar ons toe en deelde oordopjes uit, omdat het in zo’n kleine ruimte met livemuziek wel eens loei- en loeihard kon klinken. Maar ik wilde die krengen niet in. Het zou toch wel meevallen? De reclame was afgelopen en de band startte een intro in. Ik drukte meteen m’n vingers stevig tegen de oren, instant deafness, wat een bak herrie!

Even later speelden ze een heel nummer live maar in plaats van de oordopjes in te doen, bleef ik mijn oren met mijn handen dichthouden. Naar mijn idee stond dat nog altijd stoerder dan die gele tampons.

Half-time. Het publiek werd gewisseld. De opnameleider kwam naar ons toe en wees de mensen achter ons aan en nog een paar mensen naast ons, ze moesten plaats gaan maken voor groep 2. En wij? Wij mochten, samen met het meisje met het A4’tje, blijven zitten. We voelden onze coolness-levels naar een kookpunt stijgen.

En zo beleefden we vrolijk ook de tweede helft van de show, inclusief een extra nummer van Bush. En was alles na een dikke 2 uur alweer voorbij. Na afloop stonden we buiten nog wat na te hyperen en kwam Ray Cokes naar buiten, op zijn motor. Zoals hij op tv leek/lijkt, zo is hij in het echt ook. Relaxed, grappig, een toffe gast.

En dit mis ik dus aan MTV. Oprechte interesse in de doelgroep in plaats van het opleggen van interesses. Een doelgroep maakt je als zender. Daar speel je op in en je houdt ze geïnteresseerd. Je leert van elkaar. De liefde voor muziek, welk genre dan ook, spatte in de jaren ’90 van de zender af. Van de ‘M’ in MTV is een tijd geleden wijselijk afstand gedaan. Nu is er alleen nog TV over en zelfs dat is niet interessant.

*zapt*

Ouders bekijken een live webcam van hun dochter die met een ex-vriendje in een jacuzzi zit. Er wordt gelikt.

Jongens, trek die stekker eruit. Live fast, die young.  Long live the ‘90s.

Mooie Jongens.

Al sinds een paar dagen zit ik met 25 juli in mijn hoofd. 25 juli, 25 juli, er was iets met 25 juli. Ik ben vrij slecht in verjaardagen onthouden als ik ze niet minstens 18 keer gevierd heb dus ik dacht al gauw dat dat het was. Maar nee. Feit is dat ik onbelangrijke data eerder onthoud dan belangrijke. Dus het moet iets futiels zijn. Vanmiddag vermoedde ik iets en zojuist heb ik het gecheckt op mijn prikbord, dat bedekt is met 27 lagen briefjes, postertjes, flyers en tickets. Heel. Veel. Tickets. En ja hoor, daar hing het, bam, in het midden.

LES MISERABLES IMPERIAL THEATRE WED JUL 25, 2001

Aha, dus dat! Vandaag, deze tijd, exact een decennium geleden, zaten beste vriendin C. en ik ons te settelen in een paar comfortabele pluchen stoelen op rij 2 van het Imperial theater in Broadway. Om er meer dan 3 uur later met dikke, rode ogen weer uit te klimmen. Compleet kapot waren we. Gebeten door de musical-bug. Is nooit meer goed gekomen daarna.

Ik was wel eens eerder naar een musical geweest. Grease, in Londen. Maar dat was een beetje een niemendalletje en we zaten in de nok van het theater en het was leuk, maar dat was alles. Dit keer, zo’n 5 jaar later, was het anders.

Veel over Les Misérables wist ik niet. C. en ik gingen er, tamelijk onbevangen, samen met een vriendin die vlak bij New York woont, naar toe. We zaten nog volop te kletsen toen ineens de lichten uit gingen, het orkest opzwelde, en het menens werd. De show begon. We hadden er zin in! Na een half uur kwam er een mooie jongen op het podium. Een Hele Mooie Jongen. Toen waren we nog meer onder de indruk. De musical bleek al snel, zacht uitgedrukt, wat zwaarder te zijn dan we in eerste instantie verwachtten. Het had zijn vrolijke momenten maar die waren schaars. Toch was alles zeer indrukwekkend, vooral omdat we amper 3 meter van het podium verwijderd waren en we helemaal in het verhaal werden gezogen. Musicalmensen zingen en praten nogal met consumptie, dat leerden we die dag ook. Extra dimensie.

Na een dikke anderhalf uur kwam het geheel tot een apotheose met een nummer waarin iedereen samen zong en er volgde een daverend applaus en het gordijn ging dicht. Terwijl onze Amerikaanse vriendin haar abrupt gestopte spraakwaterval van voor de show continueerde (ohmygoshdidyouknowlikeohmygoshthatsretarded), zaten C. en ik nog een potje perplex te wezen in onze stoelen. Poehee, even bijkomen. Dat was een mooie musical! Was wel plots voorbij, maar hij duurde wel lang en tsjongejonge wie was die Mooie Jongen? Wauw. Wauw.

Dit was hem. De Mooie Jongen van tien jaar geleden.

Al gauw beseften we dat er nog een tweede acte kwam. En die was nog donkerder dan de eerste. Gitzwart. Al gauw kwamen de waterlanders. Mensen gingen dood, Mooie Jongen werd in onze ogen steeds mooier en alles en iedereen werd zieliger, de wereld werd zwarter, we zakten langzaam weg in lichte depressies. Maar mooi dat we het vonden. Aan het eind van de voorstelling was er weinig meer van ons humeur over. Ik heb nog net niet hardop zitten huilen.

 

Ik kon me vermannen tot verstikkende snikken in talloze papieren zakdoekjes. Potdorie, heavy shit.

Gelukkig overleefde Mooie Jongen het verhaal. Lichtpuntje. En na meer dan drie uur liepen we dus, met onweer in ons hoofd, het donkere theater uit, het veel te felle, warme zonlicht in. Een straat verderop stond een in zilver geklede en geschminkte mimespeler. Ohmygoshlookatthatguyletsgivehimaquarter! En daar stonden we dan, nog half huilend, in de zengende hitte te kijken naar een zilveren man die op teken van onze Amerikaanse vriendin de Robot deed, op de maat van zijn kazoo. Hoe groot was het contrast en hoe groot was de indruk die Les Misérables die dag, vandaag 10 jaar geleden, heeft achtergelaten.

Sinds die dag houd ik van musicals. Hoe gay en cheesy en oppervlakkig en onzinnig mensen ze ook mogen noemen. Die spanning, verrassing, professionaliteit, directe beleving en vooral het contrast met de werkelijkheid die je in het theater krijgt, krijg je nergens anders.

Oh ja, en Mooie Jongens.

Geef de regen maar de schuld

Lieve arme stumpers: Terwijl u baalt van het weer, kunt u kijken naar een wedstrijd waar het droog is.

Gisteren was iedereen nog vrolijk.

De zomer is ons tot nu toe goed gezind geweest met lekker veel zonuren en prima temperaturen. Maar sinds gisteravond regent het haast non-stop en Nederland verkeert in totale crisis. Reporters worden naar campings in God weet wat voor uithoek gestuurd om de slachtoffers van deze aanhoudende misère te interviewen. Zodat we deze arme stumpers ’s avonds stiekum uit kunnen lachen terwijl we onze duurbetaalde tickets naar de zon nog een extra aai over de bol geven.

Nee, in tijden hebben we niet zo’n eindeloze regenval gehad als nu, een bui die in 1823 begon en gisteren zijn apotheose kende. Althans, dat idee heb ik.

Het is best fijn, zo’n weer, op z’n tijd. Perfect voor excuses. Te laat op je werk? File, komt door de regen. Bad hair day? Pluis, door de regen. Chagerijnig? Regen.

En daarom is het lied waarover ik jullie wil anekdoceren fantastisch. Het is pure waarheid.

In 2005 gingen mijn beste vriendin C. en ik op onze eerste echte roadtrip. Kriskras door West-USA. Om de vele uren die we in de auto door zouden brengen te overbruggen hadden we een aanzienlijke collectie aan cd’s meegenomen, voor de zekerheid, mocht de radio het niet doen.

De radio deed het wel maar tenzij je zeer gesteld bent op het complete oeuvre van de Gypsy Kings en soortgelijke parlalalalalabamba-muziek, moest je blij zijn met iedere minuut vrije muziekkeuze die je tot je beschikking had. Dus we waren goddank goed voorbereid. We cruisden ergens tussen Anaheim en Vegas en een van mijn mix-cd’s maakte zijn debuut. Halverwege de cd kwam het nummer voorbij.

Blame it on the rain, van Milli Vanilli.

Ik denk dat C. nog net niet de auto met piepende banden stopte maar ze keek me wel aan met verbaasde blik. Dit nummer?? What in the how where why?

Ja, dit nummer! Jongens, wees eerlijk, het swingt aan alle kanten en je kan het zo lekker meezingen! En, zoals ik eerder zei: het is de waarheid.

Na de initiële shock zongen we beiden luidkeels mee. Al snel was C. ook overstag: dit nummer is redelijk briljant. Zo briljant zelfs dat we in de loop van de vakantie het meerdere keren speciaal opzetten en we meeblèrden met Rob en Fab.

Sinds die vakantie hebben we menig roadtrip gemaakt en is het een gewoonte geworden om een speciale ‘Guilty pleasure-cd’ te maken. Met telkens andere nummers en één constante: Blame it on the rain. Het werd ons nummer en zonder dit nummer was een vakantie niet compleet.

2009, vakantie in Boston en New York. Op de een-na-laatste dag in Boston gingen we naar een baseball wedstrijd. De Red Sox tegen de, de… eh.. de Tampa Bay Rays? Zoiets? En het was in Fenway Park, wat het oudste baseball stadion van de VS blijkt te zijn. Denk ik. Het is in ieder geval redelijk episch en ondanks onze onkunde moesten we erbij zijn. Dit stukje pure, onvervalste americana wilden we live meemaken. Dus spendeerden we 30 dollar per persoon aan kaartjes in de bleachers en gingen we die september-avond een kijkje nemen. Wat een kermis, het begon buiten het stadion al, waar een half dorp buiten is opgezet met kraampjes en toeters en bellen. We keken onze ogen uit. We keken ook naar de lucht want die zag er verraderlijk uit. Onvoorbereid dat we waren, hadden we geen poncho’s meegenomen maar gelukkig werden die gratis uitgedeeld in een kraampje van Comcast. Prima, die moesten we hebben. We moesten echter wel eerst een simpele vraag beantwoorden om zo’n poncho te krijgen, aldus de vriendelijke jongen bij het kraampje. Hij zei dit lacherig want hij wist natuurlijk dat de vraag die hij zou stellen kinderlijk eenvoudig ging worden en dat wilde hij ons laten blijken.

We lachten vriendelijk terug en zeiden dat hij niet raar op moest kijken als we de vraag toch niet wisten. En we bleken gelijk te hebben. Geen idee waar de vraag over ging, laat staan wat het antwoord was. Vond ie grappig. Dus hij ging een nog makkelijkere vraag stellen want hij gunde ons wel die poncho’s.

Maar ook met die vraag kwamen we niet verder. Het was nog net niet van het niveau ‘welke kleur heeft dit rode shirt?’ maar voor de basis baseball kenner zal die vraag ongeveer het equivalent zijn geweest.

Laatste kans dan. Hoe oud is Fenway Park? “This one is easy because the answer is right here on this building!”

Als twee getorpedeerde orka’s in een knollenveld keken we elkaar aan en we keken naar de tig jaartallen die op de muren stonden geletterd. Eh. Tsja. Toen Comcast-jongen uiteindelijk het jaartal voor ons aanwees, waren we dicht bij het antwoord. Ware het niet dat ik net zo goed kan rekenen als dat ik een harttransplantatie kan uitvoeren dus zelfs toen gaf ik een verkeerd antwoord.

Uit piëteit ontvingen we uiteindelijk toch onze poncho’s. En een rubber baseball stressbal.

Uiteindelijk hadden we de poncho’s niet nodig want we zaten onder een overkapping. Temidden van veel vaders met kinderen en vriendengroepen en heen en weer lopende snackverkopers met pizza’s, popcorn, snoep, wokschotels, varkens aan spit en bruidstaarten (dat laatste deel overdrijf ik). We keken onze ogen uit. Dat was wel nodig, want we hebben welgeteld 3 mannen ‘aan slag’ gezien (zo heet dat geloof ik) en toen begonnen de buien. Er werd meteen een enorm zeil over het veld heen getrokken. En op het grote scherm boven het scorebord verschenen beelden van andere wedstrijden en de mededeling dat het regende. En dat we even geduld moesten hebben en zo.

Pompiedompiedom. En maar wachten. En wachten. De buien bleven aanhouden. Even leek het erop dat het minder ging worden, maar helaas. Toch hadden we lol, vanwege het feit dat er hele lopende buffetten werden verorberd. En vanwege het feit dat we grappig gezelschap (stel Canadezen) achter ons hadden. En vanwege de realisatie dat we al een hele avond zaten te wachten op iets wat we eigenlijk helemaal niet begrepen.

Omdat een simpele tekst op een scherm zelfs de die-hard baseball fan niet heel lang ge-entertained kan houden, kwam na een uur of tweeëneenhalf een clip in beeld. Van de spelers van de Red Sox die een bepaald nummer playbackten. Jawel, DAT nummer. Blame it on the rain. Op dat moment besloten C. en ik dat dit de beste 30 dollar was dat we sinds lange tijd hadden uitgegeven.