Empty-V

MTV is vandaag 30 geworden. The big Three-O. Een mijlpaal in je leven waarop je gaat denken over de toekomst (want wat je vroeger ‘later als ik groot ben’ vond, is ‘nu’ geworden). Waarop je ofwel gaat settelen ofwel beslist dat je nog helemaal niet weet wat je wil, zolang het maar geen settelen is. Maar, de tijd dringt wel. In ieder geval geeft zo’n mijlpaal de bewustwording dat de definitieve volwassenheid is ingegaan, of je nu wilt of niet.

En MTV wil niet en gaat vrolijk verder met het Benjamin Button-effect. Je weet wel, die film waarin een man als oude vent wordt geboren en langzaam maar zeker opgroeit naar jong volwassene, puber, kind, baby, dood. En daarbij wel alle facetten van het leven meemaakt en alle wijsheden meekrijgt. Wat MTV uit de afgelopen 3 decennia blijkbaar heeft geleerd is dat

a) De doelgroep liever kijkt naar clips die ze bij voorbaat al leuk vinden, op Youtube.

b) De doelgroep liever kijkt naar rijke mensen of, beter nog, acteurs die rijke mensen spelen en daar rijk van worden en daar weer een serie over maken en doen alsof ze nog rijker zijn en daar nog rijker van worden en vicieuze cirkel etc. etc.

c) De knop naar VH1 snel gevonden is.

Begonnen als nestor van de muziek, nu het infantiele broertje waarvan de luier constant vol zit met derrie.

Tien tegen een dat op MTV nu een met zestien pannekoeken geplamuurde troela haar relatieproblemen aan het bespreken is met een vriendin, aan de telefoon, in een restaurant, terwijl een camera haar ‘zogenaamd’ bespiedt.

*Zapt*

Ah, Jersey Shore. Er werd geschud met de kont.

Jammer, heel jammer. Ik heb leuke herinneringen aan MTV.

MTV Europe, welteverstaan, die legendarische jaren ’90. Wie kent de VJ’s niet? Tenzij je van de Pokémon-generatie bent. Dan vergeef ik het je.

Zo was er Eden, een mevrouw uit Israel die ik onuitstaanbaar vond omdat ze steeds in haar handen klapte tijdens het praten en zichzelf te cool vond. De Spaanse Hugo, die ik ook niet echt leuk vond want ik verstond hem niet (“Er ees uh cleep vummadonnafro zen. Endjo.”) Toby Amies, een beetje het sexy enfant terrible van MTV, hij deed de alternatieve hoek en had een blitse kuif. Vanessa met de ijzers in haar gezicht en het Haar, die deed de Headbanger’s Ball, wat ik meed als de pest want ik dacht dat de duvel uit m’n tv zou springen. Marijne, de Nederlandse, de dochter van Sinterklaas. En Pip, Simone, Cat (die nu zeer verdienstelijk de geweldige US versie van So You Think You Can Dance presenteert) en Ray. Freakin’. Cokes. Die laatstgenoemde was (en is) de MTV-held. Te oud en te kaal en te onknap om op zo’n mooiemensenzender dagelijks met zijn tronie te zien zijn maar ik keek avond aan avond naar Most Wanted. Show, humor, muziek en algemene lolbroekerij. Briljant.

Een van mijn favoriete Most Wanted uitzendingen was deze. Op 0.30 een gevleugelde uitspraak.

Ik ben in de jaren ’90 regelmatig in Londen geweest. En buiten de standaard toeristische aangelegenheden gingen we steevast naar Camden, naar de MTV studios. Gewoon, om te kijken, te kwijlen, om er even bij te zijn. Het hol van de leeuw. Af en toe zagen we wel wat VJ’s of bands voorbij lopen. Maar hoe zou het daar binnen zijn?

Begin 1995 besloot ik een aanmeldbrief te schrijven om aanwezig te zijn bij MTV’s Most Wanted. Wie niet waagt, etc. We zouden in juli naar Londen gaan, dat wisten we al, dat vermeldde ik er voor de zekerheid in. Een paar maanden later: Ik was haast al vergeten dat ik me had ingeschreven maar een brief van MTV viel op de deurmat. Of ik het bijgaande formulier in wilde vullen. Oh ja, en of ik 27 juli zin had om aanwezig te zijn in het publiek. De vragen op het formulier varieerden van standaard (naam, adres, geboortedatum) tot vreemd (vertel over je rare gewoontes). Ik vulde ze vrolijk in, stuurde ze op en binnen no-time ontving ik een bevestiging. Ik en vriendin (M.) mochten deel uitmaken van Club Bed (dit was de naam van het publiek, dat in een soort van bed zat)!

Wachten, wachten, wachten, en toen gingen we eind juli eindelijk naar Londen. Van tevoren was ons bekend geworden dat de band die tijdens ‘onze’ show dienst zou doen, een groep genaamd Bush was. Nooit van gehoord. Dus voordat we naar de studio gingen, liepen we nog even een HMV binnen om een cd’tje van Bush te bekijken. In het cd’tje zat een boekje en daarop stond een foto van Gavin Rossdale.

Goedgekeurd. Zeer goedgekeurd.

Op naar Camden! We meldden ons bij de receptie en vanaf het moment dat we het MTV gebouw binnen liepen, voelden we ons ieder minuut hipper, cooler en belangrijker. Toby liep er los rond. Tobyyyy! En overal hingen tv’s met daarop de uitzending van dat moment. Ondertussen kwamen meer Club Bed-gangers naar binnen. Omdat het zomer/vakantietijd was en het MTV Europe betrof, was het een leuk, gemêleerd gezelschap uit alle hoeken van het continent.

De opnameleidster kwam en vertelde dat, vanwege het grote aantal, onze groep in tweeën zou worden gesplitst. M. en ik zaten in groep 1, die mocht de eerste helft van de show meemaken. We zouden de band zien optreden en tijdens de reclame moesten we plaats maken voor groep 2. Ach ja, het zij zo.

Na een tijdje wat zenuwachtig gedraaikont op de sofa’s van de lobby, werden we naar de studio geleid waar Most Wanted werd opgenomen. Even dacht ik per ongeluk de wc’s in te zijn gelopen maar dit kleine hokje was toch echt die enorme studio die het op tv deed lijken.

En daar lag ons bed. Een matras met wat dekens met diverse prints, kussens. Vreemd, doch comfortabel. We werden gerangschikt. Goddank waren dit de jaren ’90 en was het gros van het publiek wars van styling, wat er waarschijnlijk toe heeft geleid dat plain Janes zoals M. en ik op de voorste rij werden geplant.

En daar was ie, de Held. Mr. Ray Cokes. Vroeg of we er zin in hadden (ja!) en of we enthousiast wilden doen (jaaaa!) en of we vaak keken (jaaaaahaaaaa!). Ik keek wat rond en merkte dat de mensen die op de vloer aan het werk waren, ook allemaal bekenden van de show waren. Dus die gast die de kabels aan het sleuren is, was Robbie the Cable Guy. En de mevrouw met het clipboard was Naughty Nympho Nina. En er was nog een andere Rob, met lang, warrig haar en een hoog stemmetje. En Jean-Claude van Hamster. Ja, dat was een hamster. Die herkende ik makkelijk.

De show begon. Joelen, klappen, joelen, klappen! En aandachtig luisteren naar wat Ray te vertellen had want ieder moment kon hij iets aan je vragen. Goddank deed hij dat niet aan mij maar het meisje dat naast me zat was een regelmatig terugkerend item in de uitzending. Ze had een gedichtje en een grappige foto op een A4’tje bij zich, speciaal voor Ray. Op een bepaald moment las Cokes het gedicht voor. Ik zat semi-gebiologeerd te kijken en te luisteren en ik zag op het scherm bovenin de studio in close-up mijn semi-gebiologeerde snuit in beeld. Gelukkig was de camera op tijd weg om mijn schrikreactie niet heel Europa in te sturen.

Eerste reclameblok. Daar kwam de band. Daar was Bush. Nee, wacht, daar was de hond van Bush. Een kruising tussen een zwabber en een rastafari. Hij heette Winston en kwam vrolijk kwispelend op ons af. We aaiden hem. Gavin Rossdale (en de rest van de band) volgde en de foto op het cd-boekje loog niet. Wat een vent. Hij wees naar het kleed met tijgerprint dat over ons heen was gedrapeerd.

“Lovely duvet! I’ve got one of these at home!”

Zucht, zwijmel.

Nina kwam naar ons toe en deelde oordopjes uit, omdat het in zo’n kleine ruimte met livemuziek wel eens loei- en loeihard kon klinken. Maar ik wilde die krengen niet in. Het zou toch wel meevallen? De reclame was afgelopen en de band startte een intro in. Ik drukte meteen m’n vingers stevig tegen de oren, instant deafness, wat een bak herrie!

Even later speelden ze een heel nummer live maar in plaats van de oordopjes in te doen, bleef ik mijn oren met mijn handen dichthouden. Naar mijn idee stond dat nog altijd stoerder dan die gele tampons.

Half-time. Het publiek werd gewisseld. De opnameleider kwam naar ons toe en wees de mensen achter ons aan en nog een paar mensen naast ons, ze moesten plaats gaan maken voor groep 2. En wij? Wij mochten, samen met het meisje met het A4’tje, blijven zitten. We voelden onze coolness-levels naar een kookpunt stijgen.

En zo beleefden we vrolijk ook de tweede helft van de show, inclusief een extra nummer van Bush. En was alles na een dikke 2 uur alweer voorbij. Na afloop stonden we buiten nog wat na te hyperen en kwam Ray Cokes naar buiten, op zijn motor. Zoals hij op tv leek/lijkt, zo is hij in het echt ook. Relaxed, grappig, een toffe gast.

En dit mis ik dus aan MTV. Oprechte interesse in de doelgroep in plaats van het opleggen van interesses. Een doelgroep maakt je als zender. Daar speel je op in en je houdt ze geïnteresseerd. Je leert van elkaar. De liefde voor muziek, welk genre dan ook, spatte in de jaren ’90 van de zender af. Van de ‘M’ in MTV is een tijd geleden wijselijk afstand gedaan. Nu is er alleen nog TV over en zelfs dat is niet interessant.

*zapt*

Ouders bekijken een live webcam van hun dochter die met een ex-vriendje in een jacuzzi zit. Er wordt gelikt.

Jongens, trek die stekker eruit. Live fast, die young.  Long live the ‘90s.

Mooie Jongens.

Al sinds een paar dagen zit ik met 25 juli in mijn hoofd. 25 juli, 25 juli, er was iets met 25 juli. Ik ben vrij slecht in verjaardagen onthouden als ik ze niet minstens 18 keer gevierd heb dus ik dacht al gauw dat dat het was. Maar nee. Feit is dat ik onbelangrijke data eerder onthoud dan belangrijke. Dus het moet iets futiels zijn. Vanmiddag vermoedde ik iets en zojuist heb ik het gecheckt op mijn prikbord, dat bedekt is met 27 lagen briefjes, postertjes, flyers en tickets. Heel. Veel. Tickets. En ja hoor, daar hing het, bam, in het midden.

LES MISERABLES IMPERIAL THEATRE WED JUL 25, 2001

Aha, dus dat! Vandaag, deze tijd, exact een decennium geleden, zaten beste vriendin C. en ik ons te settelen in een paar comfortabele pluchen stoelen op rij 2 van het Imperial theater in Broadway. Om er meer dan 3 uur later met dikke, rode ogen weer uit te klimmen. Compleet kapot waren we. Gebeten door de musical-bug. Is nooit meer goed gekomen daarna.

Ik was wel eens eerder naar een musical geweest. Grease, in Londen. Maar dat was een beetje een niemendalletje en we zaten in de nok van het theater en het was leuk, maar dat was alles. Dit keer, zo’n 5 jaar later, was het anders.

Veel over Les Misérables wist ik niet. C. en ik gingen er, tamelijk onbevangen, samen met een vriendin die vlak bij New York woont, naar toe. We zaten nog volop te kletsen toen ineens de lichten uit gingen, het orkest opzwelde, en het menens werd. De show begon. We hadden er zin in! Na een half uur kwam er een mooie jongen op het podium. Een Hele Mooie Jongen. Toen waren we nog meer onder de indruk. De musical bleek al snel, zacht uitgedrukt, wat zwaarder te zijn dan we in eerste instantie verwachtten. Het had zijn vrolijke momenten maar die waren schaars. Toch was alles zeer indrukwekkend, vooral omdat we amper 3 meter van het podium verwijderd waren en we helemaal in het verhaal werden gezogen. Musicalmensen zingen en praten nogal met consumptie, dat leerden we die dag ook. Extra dimensie.

Na een dikke anderhalf uur kwam het geheel tot een apotheose met een nummer waarin iedereen samen zong en er volgde een daverend applaus en het gordijn ging dicht. Terwijl onze Amerikaanse vriendin haar abrupt gestopte spraakwaterval van voor de show continueerde (ohmygoshdidyouknowlikeohmygoshthatsretarded), zaten C. en ik nog een potje perplex te wezen in onze stoelen. Poehee, even bijkomen. Dat was een mooie musical! Was wel plots voorbij, maar hij duurde wel lang en tsjongejonge wie was die Mooie Jongen? Wauw. Wauw.

Dit was hem. De Mooie Jongen van tien jaar geleden.

Al gauw beseften we dat er nog een tweede acte kwam. En die was nog donkerder dan de eerste. Gitzwart. Al gauw kwamen de waterlanders. Mensen gingen dood, Mooie Jongen werd in onze ogen steeds mooier en alles en iedereen werd zieliger, de wereld werd zwarter, we zakten langzaam weg in lichte depressies. Maar mooi dat we het vonden. Aan het eind van de voorstelling was er weinig meer van ons humeur over. Ik heb nog net niet hardop zitten huilen.

 

Ik kon me vermannen tot verstikkende snikken in talloze papieren zakdoekjes. Potdorie, heavy shit.

Gelukkig overleefde Mooie Jongen het verhaal. Lichtpuntje. En na meer dan drie uur liepen we dus, met onweer in ons hoofd, het donkere theater uit, het veel te felle, warme zonlicht in. Een straat verderop stond een in zilver geklede en geschminkte mimespeler. Ohmygoshlookatthatguyletsgivehimaquarter! En daar stonden we dan, nog half huilend, in de zengende hitte te kijken naar een zilveren man die op teken van onze Amerikaanse vriendin de Robot deed, op de maat van zijn kazoo. Hoe groot was het contrast en hoe groot was de indruk die Les Misérables die dag, vandaag 10 jaar geleden, heeft achtergelaten.

Sinds die dag houd ik van musicals. Hoe gay en cheesy en oppervlakkig en onzinnig mensen ze ook mogen noemen. Die spanning, verrassing, professionaliteit, directe beleving en vooral het contrast met de werkelijkheid die je in het theater krijgt, krijg je nergens anders.

Oh ja, en Mooie Jongens.

Wie niet weg is…

Niet dat ik het tegenwoordig nog veel speel, maar verstoppertje vind ik echt heel spannend. Te spannend. Mijn voorkeur gaat veel meer uit naar skippyballen of hinkelen of pimpampetten.

Bij verstoppertje telt iemand (de ‘Zoeker’) tot 10 en je hebt evenzoveel tellen de tijd om een goede plek te vinden om niet gezien te worden. “Wie niet weg is, is gezien, ik kom!” is het laatste wat je van de Zoeker hoort en dan wacht je gespannen achter de boom, een hek of wat je ook maar kan vinden om in, achter of onder te schuilen. Hart klopt in de keel en je hebt het idee dat het zo hard klinkt dat de Zoeker je hoort, en vervolgens vindt. En dan ben je af. Enige manier om jezelf te redden is door heel hard naar een vooraf afgesproken plek te rennen en ‘buut vrij!’ te roepen.

Stel je nu voor dat je geen 10 tellen krijgt om je te verstoppen. En dat je op een eiland zit en de buut is het vasteland. En dat de Zoeker een geladen geweer heeft. En dat hij je neerschiet als hij je vindt.

Ik kan me niet eens voorstellen wat voor doodsangsten de mensen in het Noorse Utoya hebben doorstaan. Ben er al de hele dag een beetje perplex, beduusd en verdrietig over.

Moest ik even kwijt.

Sprong in de tijd

Ik vind het een ietwat afgezaagd maar toch een erg leuk idee: het maken van een nieuwe, oude foto. Bijvoorbeeld een foto van vroeger waar je samen met je jongere zusje op staat, grote knuffelapen in de hand, je zusje in een wandelwagen en jij erachter. Zelf kom je amper boven de wagen uit.

Bij de reproductie van de foto, meer dan 25 jaar later, zijn de knuffelapen kleiner dan ze leken, de wandelwagen moet noodgedwongen plaats maken voor een ander ongemakkelijk vehikel waar zusje nog maar net in past en qua kleding probeer je de stijl en kleuren ietwat te evenaren, maar het lukt niet echt. Maar samen met zus heb je de grootste lol en je ouders zijn blij verrast met het resultaat. Voor een paar momenten ben je weer 5 jaar oud.

Gisteren ging ik naar een Take That concert.

Gisteren was ik voor een paar momenten weer 17.

Ja, ik was fan. Groot fan. In ’95 zag ik ze voor het laatst met z’n vijven, live, in het Ahoy’. Ik heb ze daarna nog als viermansgroep gezien maar, ondanks het feit dat ik die shows ook geweldig vond, bekroop me bij vlagen toch steeds het gevoel. Ik mis er een. Het is niet oldskool genoeg.

De laatste dag dat ik ze alle 5 bij elkaar zag. Een bar koude dag in maart, 16 jaar geleden, ik kreeg geen hap door mijn keel. Bloednerveus was ik, zo gespannen want alles moest goed gaan. Ik wilde de beste plaatsen voor het podium, want ik zou gaan zwaaien tot mijn armen eraf vielen. Mark Owen zou me zien en op slag verliefd worden en zo ongeveer vijf jaar erna zouden we trouwen, we krijgen kinderen, ik een leuke baan in de omgeving van Manchester, hij miljoenen verdienend als tourend lustobject. Ik had het helemaal uitgestippeld.

Die dag in ’95 had ik nog angsten uitgestaan tijdens de security check want camera’s waren verboden en er stond de doodstraf op. Wegwerpdingetje werd een wegwerkdingetje. Een beetje ruimzittende broek of bh kon zoiets netjes verbloemen. Take That had geen breedheupige, rondborstige fans. Dat leek maar zo. We smokkelden de meest geavanceerde foto- en videomaterialen naar binnen. Undercover Joopvantellingers waren we.

Er zaten 24 opnames op m’n wegwerker en geen enkele bleek te zijn gelukt. Kut.

Ondanks de misselijkheid, de stress, paniek, onderlinge rivaliteit (Mark is van MIJ! Nee IK vind hem de leukste! Kutwiiijjfff!) het concert van mijn leven gezien. In tegenstelling tot wat de meeste mensen dachten bestond een Take That concert niet uit ram-bam liedjes zingen aan de lopende band, beetje dansen, beetje playbacken. Geloof me, ik heb genoeg uren en guldens versleten aan dit soort copy/paste optredens van talloze jongensgroepjes. Take That hoorde daar niet bij. Nee, als Take That een concert geeft dan geven ze een Show. Met humor, gewaagde verkleedpartijen, briljante thema’s. Natuurlijk ging het me destijds alleen om de jongens zelf en het zo hard mogelijk meekrijsen van de liedjes en het verklaren van de liefde aan Mark Owen. Laat ik mezelf nou niet minder oppervlakkig doen voorkomen dan ik destijds was. Maar zelfs door al die hormonale manie heen zag ik dat de show gewoon briljant was. Oudere broer van m’n beste vriendin C. kon het beamen, hij was uit nieuwsgierigheid ook gegaan en vond het fan-tas-tisch.

Geloof me nu maar.

Best verdrietig was ik dus toen Robbie uit de band stapte en amper een jaar later Take That uit elkaar ging. Toegegeven, ik was ondertussen wel een beetje op de band uitgekeken en Mark Owen was eigenlijk best lelijk en dat zou toch nooit iets worden. Maar het waren met name de concerten die ik zo ging missen.

16 jaar later. Take That komt terug als 5-piece. De kans om de Cirkel rond te maken. En ook dit keer was ik, heel even, nerveus. Gewoon, omdat alles weer moest kloppen nu.

En alles klopte uiteindelijk. Tsja, je hoopte het en het was ook te verwachten. Iedereen wordt een dagje ouder en daarmee ook wat relaxter. Met speels gemak werkte ik nu vooraf een bord pasta met zalm naar binnen zonder te kokhalzen van de zenuwen. Ik ben rustig in de rij gaan staan en (in enigszins flinke pas) de ArenA binnen gelopen en heb een prachtig plaatsje bij het podium bemachtigd. Geen ellebogen, geen ge-trut, geen kleerscheuren. Geen gezeur bij de security, je mocht vrolijk naar binnen lopen met je digitale superzoom camera met een capaciteit van driehonderdmiljoenmiljard opnames.

Hop, binnen, zitten, wachten. Wachten op de show die Perfect moest wezen, want: de Cirkel. Die moest rond.

Het concert was een vervijfvoudigde overtreffing van ’95. Qua muziek, productie, show en gemoedelijke sfeer. Mensen kijken vreemd, in sommige gevallen zelfs laatdunkend als je zegt dat je naar een concert van een boyband vol veertigers gaat. Onterecht. De muziek mag niet helemaal jouw smaak zijn maar aan entertainment en productie valt niks af te dwingen. Die is er meer dan genoeg. En ondertussen besef je stiekum dat de muziek eigenlijk helemaal niet zo slecht is.

Geloof je me niet, check You Tube maar.

Vrolijk zong ik mee met de nummers, alhoewel de meest recente me nog niet echt heel bekend waren. Ik blijf dan toch wel een beetje een oldskooler. Maar ik miste halverwege het concert nog één dingetje: dat Gevoel dat ik wilde krijgen. De Cirkel. Dan zou die rond zijn. Ik wilde me weer even 17 voelen.

Dat kwam op een onverwacht moment, zo tussen de bedrijven door. Op een moment dat me deed denken aan de foto waarover ik eerder vertelde. De vijf stonden gebroederlijk naast elkaar, haast recht voor m’n neus. En besloten dat het tijd was voor een photo opportunity.

“Let’s try to jump like we did for the cover of our very first album!”

De mannen zijn wat ouder en stroever. De sprongen zijn wat minder atletisch en de setting was anders. Maar je zag aan ze dat ze er lol in hadden en dat ze zich even weer twintigers waanden.

“Three…

two…

one…

JUMP!”

En zo, werd er letterlijk en figuurlijk een sprong naar ’95 gemaakt. En was ik weer 17. En was de cirkel rond.

Never forget. 

Ode aan de radio

En toen was het stil…nee-ether

Sinds gisteren is er beperkt radiobereik vanwege het doorbranden, kortsluiten, omknakken van twee metershoge zendmasten. Een in Drenthe, de ander in Lopik. Stom toeval? Etherterroristen? We houden het maar bij het eerste maar frappant vind ik het wel.

Sinds gisteren is er dus weinig radio in m’n leven, want ik heb nu eenmaal niet altijd mijn digitale tv of laptop onder de arm mee. En ik mis het, die constante, vertrouwde ruis op de achtergrond. Dan weer een dj, dan weer een lied, dan weer een blok bloedirritante reclame, gevolgd door het nieuws, weer reclame, dj, lied, dj, lied etc. etc. Heerlijk, meestal.

Hebben we dat radio eigenlijk wel nodig? Tegenwoordig zijn er namelijk legio mogelijkheden om je eigen enorme collectie favoriete nummers af te spelen zonder het oeverloze geouwehoer van zichzelf overschattende praatjesmakers er tussendoor te horen. Dat is waar, maar ik vind het niet te vergelijken. Het is het zelfde als zeggen dat je geen restaurants meer hoeft te bezoeken want je hebt op iedere hoek van de straat een McDonald’s. Ik vind het wel wat hebben, zo’n restaurant. De keuze is beperkter en je moet langer op je eten wachten maar sommige restaurants hebben leuke obers en goede koks en een gezellige ambiance. Dus je blijft terug komen. Ook al bestel je er steeds de zelfde salade met geitenkaas en ga je steevast aan het zelfde tafeltje zitten. Het is zo lekker vertrouwd. En minder hapklaar.

Zo zie ik radio ook. Je hebt zenders waar je totaal niks mee hebt maar je hebt ook zenders waar ze een goede, niet al te eindeloos uitgebreide menukaart (de playlist, dames en heren) hebben en het personeel en de ambiance maken het leuk, verfrissend, gezellig (haat dat woord, maar goed). En de dessertkaart verandert regelmatig. Vaak zijn er verrassende toetjes, soms zit er ook een mis(taart)punt tussen maar die vergeef je ze.

Er zijn perioden dat ik mijn ‘stam-restaurant’ even beu ben, dan ga ik ergens anders eten. Daar hebben ze ook salade met geitenkaas. Maar die smaakt dan anders. Flauwer. De tent zit vol krijsende kinderen in een veel te grote (paars met groene) ballenbak. Na 10 minuten ren ik gillend naar buiten.

Of ik ga naar een hemels établissement die m’n ouders graag bezoeken. De spinnewebben hangen er tussen de kroonluchters, de boel vliegt bijna in de hens vanwege alle kaarsen die op, onder en tussen de tafels geparkeerd staan. En er zijn geen obers. Je gaat zitten en het eten ligt al voorgekauwd voor je klaar, of je het nu lust of niet. Voordeel van dit restaurant is echter wel dat je non-stop kan schransen en alles licht verteerbaar is.

Nee, doe dan toch maar weer ‘mijn’ restaurant.

Maar die is dus beperkt open nu, al bijna twee dagen. En daar baal ik een beetje van want ik heb achtergrondruis nodig als ik sta te koken, schoon te maken, af te wassen. En dan besef ik weer dat radio toch een mooi medium is. Van alle muziek die ik kan luisteren, wat ik wil, wanneer ik wil, kies ik er toch meestal voor om de gastheer ter plekke de keuze voor me te laten maken.

In de categorie “Dingen die ik niet echt heel goed begrijp”: De Aardbei.

Vorige week ging ik aardbeien kopen, net als iedere week in de zomer. Omdat die dingen zo verrekte lekker zijn. M’n moeder vertelde me dat het aardbeienseizoen al bijna afgelopen is. Duidelijk aangeslagen door dit shockerende bericht sla ik meteen groot in en probeer vervolgens de in de koelkast geparkeerde aardbeien met een dagelijkse peptalk zo lang mogelijk eetbaar te houden. Natuurlijk is er altijd de optie om ze binnen twee dagen allemaal meester te maken maar dat past helaas niet in mijn maag, ik moet ruimte houden voor minstens een kwart ananas. Meer over mijn ananas-fixatie in een later bericht.

Waar het hart vol van is, loopt de mond en ook het brein van over en zo kwam ik tot de volgende breinbrekert.

De engelssprekenden hebben strawberries, blueberries, raspberries, elderberries. Om nog niet eens te spreken over de huckleberries, de Halle Berries en de Archbishop of Canterburys.

Strawberries dus, als onderdeel van vele andere berries. En wij hebben aardbeien. Hebben we blauwbeien, raspbeien en ouderbeien? Nee. Oké, begrijpelijk, niet alles is letterlijk vertaalbaar (alhoewel dat het leven veel hilarischer zou maken). Maar je hebt dus aardbeien en… welke beien zijn er nog meer? Aambeien. Da’s alles dat ik kan bedenken. Dat vreet je niet. En waarom zijn onze beien aards en de engelstalige uit stro? Ik zou dit kunnen googlen maar er zal vast een helder, rationeel uitleg voor bestaan en dat is dan weer jammer.

Geef de regen maar de schuld

Lieve arme stumpers: Terwijl u baalt van het weer, kunt u kijken naar een wedstrijd waar het droog is.

Gisteren was iedereen nog vrolijk.

De zomer is ons tot nu toe goed gezind geweest met lekker veel zonuren en prima temperaturen. Maar sinds gisteravond regent het haast non-stop en Nederland verkeert in totale crisis. Reporters worden naar campings in God weet wat voor uithoek gestuurd om de slachtoffers van deze aanhoudende misère te interviewen. Zodat we deze arme stumpers ’s avonds stiekum uit kunnen lachen terwijl we onze duurbetaalde tickets naar de zon nog een extra aai over de bol geven.

Nee, in tijden hebben we niet zo’n eindeloze regenval gehad als nu, een bui die in 1823 begon en gisteren zijn apotheose kende. Althans, dat idee heb ik.

Het is best fijn, zo’n weer, op z’n tijd. Perfect voor excuses. Te laat op je werk? File, komt door de regen. Bad hair day? Pluis, door de regen. Chagerijnig? Regen.

En daarom is het lied waarover ik jullie wil anekdoceren fantastisch. Het is pure waarheid.

In 2005 gingen mijn beste vriendin C. en ik op onze eerste echte roadtrip. Kriskras door West-USA. Om de vele uren die we in de auto door zouden brengen te overbruggen hadden we een aanzienlijke collectie aan cd’s meegenomen, voor de zekerheid, mocht de radio het niet doen.

De radio deed het wel maar tenzij je zeer gesteld bent op het complete oeuvre van de Gypsy Kings en soortgelijke parlalalalalabamba-muziek, moest je blij zijn met iedere minuut vrije muziekkeuze die je tot je beschikking had. Dus we waren goddank goed voorbereid. We cruisden ergens tussen Anaheim en Vegas en een van mijn mix-cd’s maakte zijn debuut. Halverwege de cd kwam het nummer voorbij.

Blame it on the rain, van Milli Vanilli.

Ik denk dat C. nog net niet de auto met piepende banden stopte maar ze keek me wel aan met verbaasde blik. Dit nummer?? What in the how where why?

Ja, dit nummer! Jongens, wees eerlijk, het swingt aan alle kanten en je kan het zo lekker meezingen! En, zoals ik eerder zei: het is de waarheid.

Na de initiële shock zongen we beiden luidkeels mee. Al snel was C. ook overstag: dit nummer is redelijk briljant. Zo briljant zelfs dat we in de loop van de vakantie het meerdere keren speciaal opzetten en we meeblèrden met Rob en Fab.

Sinds die vakantie hebben we menig roadtrip gemaakt en is het een gewoonte geworden om een speciale ‘Guilty pleasure-cd’ te maken. Met telkens andere nummers en één constante: Blame it on the rain. Het werd ons nummer en zonder dit nummer was een vakantie niet compleet.

2009, vakantie in Boston en New York. Op de een-na-laatste dag in Boston gingen we naar een baseball wedstrijd. De Red Sox tegen de, de… eh.. de Tampa Bay Rays? Zoiets? En het was in Fenway Park, wat het oudste baseball stadion van de VS blijkt te zijn. Denk ik. Het is in ieder geval redelijk episch en ondanks onze onkunde moesten we erbij zijn. Dit stukje pure, onvervalste americana wilden we live meemaken. Dus spendeerden we 30 dollar per persoon aan kaartjes in de bleachers en gingen we die september-avond een kijkje nemen. Wat een kermis, het begon buiten het stadion al, waar een half dorp buiten is opgezet met kraampjes en toeters en bellen. We keken onze ogen uit. We keken ook naar de lucht want die zag er verraderlijk uit. Onvoorbereid dat we waren, hadden we geen poncho’s meegenomen maar gelukkig werden die gratis uitgedeeld in een kraampje van Comcast. Prima, die moesten we hebben. We moesten echter wel eerst een simpele vraag beantwoorden om zo’n poncho te krijgen, aldus de vriendelijke jongen bij het kraampje. Hij zei dit lacherig want hij wist natuurlijk dat de vraag die hij zou stellen kinderlijk eenvoudig ging worden en dat wilde hij ons laten blijken.

We lachten vriendelijk terug en zeiden dat hij niet raar op moest kijken als we de vraag toch niet wisten. En we bleken gelijk te hebben. Geen idee waar de vraag over ging, laat staan wat het antwoord was. Vond ie grappig. Dus hij ging een nog makkelijkere vraag stellen want hij gunde ons wel die poncho’s.

Maar ook met die vraag kwamen we niet verder. Het was nog net niet van het niveau ‘welke kleur heeft dit rode shirt?’ maar voor de basis baseball kenner zal die vraag ongeveer het equivalent zijn geweest.

Laatste kans dan. Hoe oud is Fenway Park? “This one is easy because the answer is right here on this building!”

Als twee getorpedeerde orka’s in een knollenveld keken we elkaar aan en we keken naar de tig jaartallen die op de muren stonden geletterd. Eh. Tsja. Toen Comcast-jongen uiteindelijk het jaartal voor ons aanwees, waren we dicht bij het antwoord. Ware het niet dat ik net zo goed kan rekenen als dat ik een harttransplantatie kan uitvoeren dus zelfs toen gaf ik een verkeerd antwoord.

Uit piëteit ontvingen we uiteindelijk toch onze poncho’s. En een rubber baseball stressbal.

Uiteindelijk hadden we de poncho’s niet nodig want we zaten onder een overkapping. Temidden van veel vaders met kinderen en vriendengroepen en heen en weer lopende snackverkopers met pizza’s, popcorn, snoep, wokschotels, varkens aan spit en bruidstaarten (dat laatste deel overdrijf ik). We keken onze ogen uit. Dat was wel nodig, want we hebben welgeteld 3 mannen ‘aan slag’ gezien (zo heet dat geloof ik) en toen begonnen de buien. Er werd meteen een enorm zeil over het veld heen getrokken. En op het grote scherm boven het scorebord verschenen beelden van andere wedstrijden en de mededeling dat het regende. En dat we even geduld moesten hebben en zo.

Pompiedompiedom. En maar wachten. En wachten. De buien bleven aanhouden. Even leek het erop dat het minder ging worden, maar helaas. Toch hadden we lol, vanwege het feit dat er hele lopende buffetten werden verorberd. En vanwege het feit dat we grappig gezelschap (stel Canadezen) achter ons hadden. En vanwege de realisatie dat we al een hele avond zaten te wachten op iets wat we eigenlijk helemaal niet begrepen.

Omdat een simpele tekst op een scherm zelfs de die-hard baseball fan niet heel lang ge-entertained kan houden, kwam na een uur of tweeëneenhalf een clip in beeld. Van de spelers van de Red Sox die een bepaald nummer playbackten. Jawel, DAT nummer. Blame it on the rain. Op dat moment besloten C. en ik dat dit de beste 30 dollar was dat we sinds lange tijd hadden uitgegeven.

Rode billetjestrui

Prikkelbaar

Daar hang je dan. In je blote kont, aan het prikkeldraad.

Een paar seconden eerder fietste je nog de benen uit je lijf om de etappe van je leven te rijden. En nu krijg je die zelfde benen niet eens uit de kluwen minimesjes-wol gewikkeld. Dankzij een auto die je even niet zag aankomen. Fiets daar dan ook niet, lomperd! Snap dan dat die auto nog veel sneller kan en wil dan jij. Even rekening mee houden volgende keer he. Want hoe essentieel jouw aandeel misschien geweest moge zijn gisteren, het is belangrijker om dat ene shotje van het druppeltje neuskwijl van die ene wielrenner in beeld te hebben. De Tour is allang niet meer een wedstrijd om de snelste. Het is een wedstrijd om de hardste val, de idiootste supporter, de bizarste volg-voertuig-manoeuvre. Het feit dat jullie daar nog als een stel mallen fietsen om heelhuids naar de eindstreep te komen is aardig, maar niet meer dan dat. Bloed aan het zadel willen we zien.

Dus daar hang je dan. Een gemiddeld mens zou halfhuilend een schone broek aan hebben getrokken en vloekend de fiets andermaals de berm in werpen. En ter plaatse besluiten om volgende keer een minder gevaarlijke sport te gaan uitvoeren. Abseilen zonder touw of iets dergelijks. Maar jij heet Johnny en jij stapt terug de fiets op, en maakt de etappe af. Pleisteren wordt al rijdende gedaan. Je doorstaat de snijdende pijnscheut die je hebt bij iedere trap die je maakt. Aan het eind van de rit mag je het podium op en word je door twee schone deernes gekust. Bloemetje erbij, applausje. Maar jij huilt. En terecht.

Held. Heb je toch nog die rode billetjestrui.

Voetnoot: ik heb niks met de Tour, maar ik ben er niet blind voor. En kan me over sommige dingen ook best witheet maken. Vandaar. Hulde aan Johnny. 

Soapbox

Degenen die in Hyde Park in Londen zijn geweest zijn waarschijnlijk bekend met het fenomeen Speaker’s corner. Mensen op kistjes die roepen over…dingen. Je luistert er wel naar maar je weet eigenlijk niet waar ze het over hebben maar het lijkt je wel tof, zo’n kist, midden in het park. En dan gewoon schreeuwen wat je wil. Maakt niet uit wie er voorbij loopt.

Of dat ze überhaupt stoppen om te luisteren. Of dat, áls ze luisteren, ze misschien wel denken ‘mafketel’.

Want, kom op, je staat op een kistje! Te schreeuwen! In een park!
Uhh, hoi.

Dit is dus mijn kistje. En ik schreeuw wat. Op gepast volume. Voornamelijk over alledaagse dingen die leuk zijn. Want het moet zonnig blijven, zonnige dingen zijn leuk, daar wordt een mens vrolijk van. Het moet niet ál te zonnig zijn want dan krijg je een rode huid en doet het pijn en gaat het jeuken. Vandaar dat het kan gebeuren dat er af en toe een bui valt. Om de boel wat op te frissen. Maar wanneer die buien vallen, geen idee. Zo onvoorspelbaar als het weer, that’s me.

Voor degenen die nog steeds lezen: complimenten en welkom!

Voor degenen die voorbij me zijn gelopen en denken: ‘mafketel’, even goede vrienden. Misschien kom je morgen nog een keer terug om te kijken of ik er nog steeds sta.

Vragen, opmerkingen, bloemen en applaus mag je naar me mailen: zonnigendroog@gmail.com.

…met af en toe een bui